|
De opengewerkte bovenhelft van het zuidwestelijke hoge wangstuk is overdekt met scenes uit de vita en miracula (het 'leven en de wonderen') van de evangelist en apostel Johannes, de patroonheilige van de kerk en het kapittel. We moeten het beeldprogramma van dit wangstuk, in tegenstelling tot dat van het Laatste Oordeel aan de overzijde, van beneden naar boven lezen. In de onderste spiraal is om te beginnen de roeping van Johannes weergegeven: in een met bomen en rotsen gesuggereerd landschap heeft Johannes zich met samengevouwen handen ter aarde geworpen aan de voeten van de zittende Christus. Deze laatste houdt de rechterhand aan zijn baard terwijl hij zijn linkerhand op het hoofd van Johannes heeft gelegd. Boven deze scene zien we Johannes opnieuw: weer als jongeling, en nu schrijvend op een lange banderol. Voor hem aan zijn voeten zit de adelaar, het vaste symbool voor Johannes als evangelist. In de bocht waar de dubbele spiraal van draairichting verandert, is vermoedelijk de episode van de gifbeker weergegeven. Een oudere man met tulband (Aristodemos, de opperpriester van Ephese?), in gezelschap van een figuur die zich meer op de achtergrond houdt, lijkt de jeugdige Johannes iets aan te bieden. Het hoofd van de achtergrondfiguur is vernieuwd en de handen van Johannes ontbreken evenals de rechterhand van de baardige oudere man. Niet onwaarschijnlijk is dat deze scene voorstelde hoe Johannes met zijn linkerhand de gifbeker aannam van Aristodemos en die zegende met zijn rechterhand; het gif kwam daarop in de vorm van een slang uit de beker tevoorschijn en Johannes bleef gespaard. De achtergrondfiguur zou, aansluitend op dit wonder, een van de toen door de apostel weer tot leven gewekte slachtoffers van datzelfde gif kunnen zijn. Onmiddellijk na deze door de beschadigingen en restauraties niet definitief meer te duiden scene, volgt een voorstelling van de martelingen die Johannes onderging. De apostel zit, ontkleed, in de ketel met kokende olie waaronder een vuur wordt opgestookt door een oudere man die met een jodenhoed is getooid. Als laatste scene zien we in de bovenste spiraal drie personen bij het graf van Johannes. Volgens de legende zou Johannes op 120-jarige leeftijd te Epbese zijn gestorven. Het gerucht deed echter de ronde 'dat die leerling niet zou sterven' (Joh. 21:23) en op basis daarvan geloofde men dat Johannes slechts in een diepe slaap was verzonken tot het Einde der tijden. Door zijn adem werd geneeskrachtig stof uit de tombe geblazen, dat in de legende stond omschreven als 'manna'. In de ogen van de middeleeuwer had manna de vorm van hosties en als we deze scene dan ook nauwkeurig bekijken, zien we dat de sarcofaag helemaal gevuld is met dit 'manna' en dat ook de grond voor de tombe er mee is overdekt. Bovendien hangt over de rand van de grafkist een banderol als verwijzing naar Johannes' schrijversschap, zijn evangelie, zijn brieven en de apocalyps. Het graf van Johannes trok vele gelovigen die genezing zochten; de oudere man achter de tombe lijkt twee van dergelijke pelgrims bij het graf te ontvangen. Tenslotte bevindt zich boven op de dubbele handspiraal de zittende gestalte van de in een wijde toga en mantel gehulde, oud geworden evangelist. Hij houdt een dik boek voor zich, ongetwijfeld opnieuw een verwijzing naar zijn evangelietekst en apocalyps. Terzijde van deze figuur is in reliëf in de hoogzwik nogmaals zijn vaste attribuut en symbool de adelaar gesneden. Ook tegen de kopse kant van dit wangstuk zijn twee vrijstaande beeldjes geplaatst, op identieke wijze als het geval was bij het noordwestelijke wangstuk. Ter halve hoogte van de opengewerkte dubbelspiraal staat hier op een zeskantige pijler de apostel | 52 |
|
Jacobus de Meerdere, volgens de traditie een broer van Johannes. Bovendien vormden de apostelen Johannes, Jacobus Major en Petrus - die onder op dit wangstuk in reliëf is afgebeeld - een vast drietal waarmee Christus een bijzondere band had. Het waren deze drie leerlingen die bij zijn gedaanteverwisseling op de berg Thabor aanwezig waren en ditzelfde drietal waakte ook samen met hem in de Hof van olijven; dit laatste is afgebeeld op het dekstuk van de lage wang direct naast deze hoge bankwang (zie p. 71-72). Het beeldje van Jacobus de Meerdere, weergegeven als pelgrim met wijde mantel en pelgrimshoed, is origineel. Zijn rechterhand, oorspronkelijk met een pelgrimsstaf, ontbreekt. Op een foto uit de late negentiende eeuw is deze nog duidelijk zichtbaar, compleet met de lange staf waaraan een kalebas hing, de traditionele veldfles van bedevaartgangers. In 1907 was de staf al half afgebroken, in 1946 was hij verdwenen.7 Vermoedelijk waren de nu ontbrekende delen restauraties van Hendrik van der Geld. Het tweede vrijstaande beeldje is, evenals zijn pendant aan de noordzijde, geheel van de hand van Van der Geld en dateert uit de jaren 1877-1881. Voorgesteld is een staande mannefiguur in toga, met korte baard en krullend haar; in de rechterhand heeft hij een pen vast waarmee hij wijst naar het geopende boek dat hij in de linkerhand voor zich houdt. Smits identificeerde dit beeldje in 1907 als de heilige Petrus,8 pater Concordius van Goirle achtte in 1946 de evangelist Marcus waarschijnlijker en dit werd overgenomen door Peeters in zijn boek uit 1985.9 Meer voor de hand liggend lijkt mij evenwel dat we hier opnieuw te doen hebben met Johannes, en wel als evangelist. Dit impliceert dat door Van der Gelds restauratie de kerkpatroon niet minder dan drie keer als vrijstaande sculptuur en in zijn hoedanigheid van schrijver, aan de westzijde van het koorgestoelte voorkomt. De iconografische gedachtengang van Hendrik van der Geld (en de gebroeders Hezenmans?) die ik achter dit drietal schrijvende Johannesbeelden vermoed, is als volgt: het beeldje van de jeugdige leerling tegen het noordwestelijke wangstuk stelt hem in de eerste plaats voor als apostel en als schrijver van zijn brieven; het beeldje tegen het zuidwestelijke wangstuk is de wat oudere evangelist, en tenslotte zit Johannes bovenin het hoge zuidwestelijke wangstuk als de oude schrijver van de apocalyps. Onder de Johannescyclus van het opengewerkte deel van de zuidwestelijke bankafsluiting, is in de buitenzijde van het gesloten onderstuk in reliëf onder gotisch traceerwerk en een ezelsrugboog de figuur van Petrus gesneden. | 56 |
| Noten | |
| 7. | Smits 1907, plaat XVIII-B; Coppens & Van Goirle 1946, p. 46 (afb.). |
| 8. | Smits 1907, p. 210. |
| 9. | Coppens & Van Goirle 1946, p. 49; Peeters 1985, p. 353. |
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 52, 56
|
Deze afsluiting kan niet beter aangeduid worden dan door haar eene bladzijde te noemen der oude hagiografie van Sint-Jan. Van zijn adelaar vergezeld, schrijft hij zijn Evangelie; daarboven staat zijne marteling in de olie afgebeeld (1). Op de plint (beneden deze afsluiting) en ook aan hare voorzijde staan twee Apostelen, Sint-Pieter en Jacobus de Meerdere, de broeder van Sint-Jan. Met Petrus en Jacobus had de Evangelist alle voornamere wonderen des Heeren bijgewoond, zij waren de drie uitverkoren leerlingen des Heeren (C). De overigen scènen in de afsluiting gebeiteld hebben betrekking op de legenden uit het leven van de Kerkpatroon. Zoo staat in het midden de bekende voorstelling van het verhaal, volgens welk aan Sint-Jan een beker wijn werd aangereikt, die met vergift gemengd was. Door een wonder kwam plotseling het vergift in den vorm eener slang uit den kelk te voorschijn (2). Beneden deze groep ligt de tot inkeer gekomen leerling uit Ephese aan de voeten van Sint-Jan, die hem de handen oplegt en ontslaat van zijne zonden, in zijn rooverleven begaan. De bovenste groep vertoont een half geopend graf met uithangenden spreukband. Het is de voorstelling van Drusiana, door Sint-Jan nabij de stadspoort van Ephese ten leven verwekt (3). Het geheel wordt bekroond door een zittend beeld in breed-geplooiden mantel gehuld. Het is de gebruikelijke reismantel, waarmeé de Apostelen geregeld voorgesteld worden (4). Zoo wordt dan de kerkpatroon als Apostel, als Evangelist, als Martelaar en als een der drie uitverkoren gezellen van Christus afgebeeld. | 209 |
| Noten | |
| 1. | Op dezelfde wijze als Albrecht Dürerdie die afbeeldt. H. Detzel, op. cit., bl. 144-148. |
| 2. | Dit is de reden, waarom Sint-Jan op nagenoeg alle voorstellingen, sedert de XIIIe, een kelk met eene slang of lezard in de hand draagt. |
| 3. | Een paar bewonderende personen staan daarnaast. Vergelijk H. Detzel, op. cit., bl. 147-148. |
| 4. | Detzel, op. cit., bl. 143; - L'Art typographique, op. cit., 1e aflevering, bl. 1526; - Titelplaat van D. Pieterssoon. |
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 209-210
| 2023 |
Wim HagemansSporen die de Beeldenstorm achterliet
Bossche Kringen 2 (2023) 42-43
|
Concordius van Goirle & Martien Coppens, De koorbanken van St. Jan (1946) 45-51, 151-155
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 52-59
Jan van Laarhoven, Zingende kathedraal (1974) 30 (afb.)
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 377, 379, 382 (afb. 234)
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 70 (afb.)
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 209-210 plaat XVIII